De Belgische werkloosheidsregeling voorziet in inschakelingsuitkeringen die aan jongeren worden toegekend op basis van hun studies, zonder voorafgaande tewerkstelling of betaling van sociale bijdragen. Tot 2011 werden deze uitkeringen toegekend zonder tijdsbeperking, behoudens de naleving van de verplichtingen inzake werkzoekgedrag. Zij kwamen onder meer ten goede aan personen die nooit voltijds hadden gewerkt, in het bijzonder in sectoren waar deeltijdse arbeid gangbaar is.
Een koninklijk besluit van 28 december 2011 heeft dit stelsel ingrijpend gewijzigd door het recht op inschakelingsuitkeringen te beperken tot een maximale duur van drie jaar. Daardoor verloren vanaf 2015 talrijke werklozen van meer dan drieëndertig jaar dit recht. Deze hervorming werd verantwoord door doelstellingen op het vlak van werkgelegenheidsbeleid en door budgettaire overwegingen die waren opgenomen in het regeerakkoord.
Artikel 23 van de Grondwet waarborgt het recht op sociale zekerheid en maatschappelijke bijstand en houdt een zogenoemde standstillverplichting in, die elke aanzienlijke vermindering van het niveau van sociale bescherming verbiedt zonder voldoende redenen van algemeen belang. Het wegvallen van de inschakelingsuitkeringen vormt een dergelijke achteruitgang voor oudere werklozen.
Het Hof van Cassatie benadrukt dat deze grondwettelijke bescherming ook geldt voor niet-contributieve prestaties. Algemene budgettaire of werkgelegenheidsdoelstellingen volstaan op zichzelf niet om een dergelijke vermindering te rechtvaardigen, evenmin als de louter theoretische mogelijkheid om een beroep te doen op het OCMW. Het aanvaarden van een achteruitgang zonder aantoonbaar reëel effect zou de standstillverplichting haar inhoud ontnemen. Vaststellend dat de motivering van de arbeidsrechter ontoereikend was, vernietigt het Hof de beslissing en verwijst het de zaak naar een andere rechtsmacht.
Lees de samenvatting in een andere taal :