Een huurder van een sociale woning in Brussel woonde al vele jaren samen met zijn meerderjarige dochter, van wie de inkomsten werden meegeteld voor de berekening van de huurprijs, zonder dat met haar een afzonderlijke huurovereenkomst werd gesloten. Na het overlijden van de vader weigerde de sociale huisvestingsmaatschappij de dochter als huurder te erkennen en eiste zij dat zij, net als elke andere kandidaat-huurder, een aanvraag zou indienen, met verwijzing naar het tekort aan sociale woningen. De situatie riep een vaak terugkerende vraag op over het lot van samenwonende personen die geen huurovereenkomst hebben ondertekend, in het bijzonder meerderjarig geworden kinderen.

In tegenstelling tot het Vlaamse recht voorziet de Brusselse Huisvestingscode niet uitdrukkelijk in een regeling voor dergelijke situaties. Het Hof van Cassatie leidt echter uit deze code af dat sociale huisvesting een openbare dienst vormt die tot doel heeft het grondwettelijk recht op een menswaardig logement te verwezenlijken. De begunstigden van deze openbare dienst beperken zich niet tot de referentiehuurder, maar omvatten ook de leden van het huishouden die juridisch bekwaam zijn om een overeenkomst te sluiten, van wie de inkomsten in aanmerking worden genomen en die voldoen aan de toegangsvoorwaarden tot sociale huisvesting. De huurovereenkomst is slechts het instrument van deze openbare dienst en hangt niet af van de discretionaire toestemming van de sociale huisvestingsmaatschappij. Bijgevolg wordt de huurovereenkomst bij het overlijden van de referentiehuurder automatisch voortgezet met de andere huurders die door de regelgeving aldus worden aangewezen, waardoor de dochter de woning kon behouden.

Lees de samenvatting in een andere taal :