Bedelreglementen moeten worden beoordeeld vanuit een mensenrechtenperspectief, in het bijzonder sinds het Lacatus-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 januari 2021. Dat arrest erkent voor het eerst dat het recht om te bedelen bescherming geniet onder het EVRM, als uitdrukking van menselijke waardigheid, persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties aan te gaan met anderen. Personen in armoede mogen niet verhinderd worden om via bedelarij hulp te vragen om in hun elementaire behoeften te voorzien.
Hoewel dit recht niet absoluut is, zijn beperkingen slechts mogelijk in uitzonderlijke omstandigheden. Elke beperking moet wettelijk zijn voorzien, een legitiem doel nastreven en strikt proportioneel zijn. Overheden beschikken daarbij slechts over een beperkte beoordelingsmarge. Algemene bedelverboden zijn steeds onverenigbaar met het EVRM, omdat zij geen individuele belangenafweging toelaten en geen rekening houden met kwetsbaarheid, context of aard van het bedelen.
Het Lacatus-arrest heeft een duidelijke impact op België. Ondanks de depenalisering van bedelarij in 1993 worden bedelaars nog steeds geviseerd via lokale politiereglementen. Uit het onderzoek blijkt dat 305 van de 581 Belgische gemeenten een bedelreglement hebben, waarvan er 253 minstens één bepaling bevatten die strijdig is met de geldende rechtspraak. De kaart en grafiek in het artikel tonen de omvang van deze problematiek op het nationale grondgebied.
De rechtspraak van de Raad van State vult het Europese kader aan. Gemeenten mogen hun politiebevoegdheden enkel aanwenden ter bescherming van de materiële openbare orde: veiligheid, rust en gezondheid. Morele of esthetische overwegingen, toeristische aantrekkelijkheid of het onzichtbaar maken van armoede vormen geen geldige rechtvaardiging voor een bedelverbod. Ook permanente, ruime of louter preventieve verboden overschrijden de gemeentelijke bevoegdheden.
Talrijke bepalingen worden als te verregaand beschouwd, waaronder algemene bedelverboden, verboden op bedelen met minderjarigen of dieren, verboden tijdens evenementen, op specifieke plaatsen of periodes, verboden op zogenoemde verhulde bedelarij en op bedelen ten voordele van anderen. Dergelijke bepalingen houden geen rekening met concrete hinder en miskennen het onderscheid tussen daders en slachtoffers van eventuele exploitatie.
Sommige beperkingen kunnen enkel aanvaardbaar zijn wanneer zij strikt worden toegepast, zoals verboden op agressieve of opdringerige bedelarij of op bedelen dat daadwerkelijk de doorgang of verkeersveiligheid hindert. Ook hier moet steeds een beoordeling in concreto plaatsvinden. Onbehagen of ongewenstheid volstaan nooit om repressief op te treden.
Ook bij de handhaving geldt het proportionaliteitsbeginsel. Boetes, inbeslagnames of repressieve sancties kunnen een buitensporige impact hebben op personen die afhankelijk zijn van bedelarij om te overleven. Mensenrechten vereisen daarom een voorkeur voor sociale bijstand boven bestraffing.
Bedelarij is geen ordeprobleem maar een symptoom van extreme armoede. Een duurzame aanpak vereist structurele maatregelen die de oorzaken van armoede bestrijden, investeren in sociale voorzieningen, brugfiguren en toegang tot hulpverlening. Alleen zo kan het recht op een menswaardig leven voor iedereen worden gewaarborgd.
Lees het artikel in een andere taal: