Op 4 december 2020 heeft het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en Volkeren een opmerkelijk advies uitgebracht over de “landloperijwetten” die in veel lidstaten van de Afrikaanse Unie van kracht zijn. Dit is een samenvatting van het advies, waarin de procedurele achtergrond wordt geschetst, vervolgens wordt nagegaan of de wetgeving inzake landloperij verenigbaar is met achtereenvolgens het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, het Afrikaans Handvest van de rechten en het welzijn van het kind en het Protocol bij het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren betreffende de rechten van vrouwen in Afrika, en vervolgens wordt ingegaan op de verplichtingen van de staten naar aanleiding van het advies.

——

Het advies van het Afrikaans Hof voor de Rechten van de Mens en de Volkeren van 4 december 2020 vormt een mijlpaal in de beoordeling van de zogenaamde landloperij- of vagabondagewetten die nog in talrijke Afrikaanse staten van kracht zijn. Deze wetten criminaliseren niet concrete strafbare feiten, maar de sociale status van personen die arm zijn, dakloos, werkloos of zonder vaste verblijfplaats. Zij laten een ruime beoordelingsvrijheid aan politie- en veiligheidsdiensten en treffen vooral kwetsbare en gemarginaliseerde groepen.

In veel Afrikaanse landen worden personen als “landlopers”, “bedelaars”, “verdachten” of “luiaards” bestempeld op basis van vage criteria zoals het ontbreken van zichtbare bestaansmiddelen. Dergelijke bepalingen leiden tot willekeurige arrestaties, buitensporige detenties en een versterking van de gevangenisoverbevolking. Hoewel sommige staten deze wetgeving inmiddels hebben afgeschaft, blijft zij in vele rechtsstelsels bestaan.

Het Hof stelt vast dat deze wetten in hun formulering én toepassing discriminerend zijn. Zij treffen in het bijzonder armen, daklozen, personen met een handicap, sekswerkers, straatverkopers en mensen die de openbare ruimte gebruiken om te overleven. Hierdoor wordt het recht op gelijkheid voor de wet en het verbod op discriminatie structureel geschonden, in strijd met de artikelen 2 en 3 van het Afrikaans Handvest.

Ook het recht op menselijke waardigheid wordt aangetast. De gebruikte terminologie heeft een koloniale oorsprong en ontmenselijkt de betrokken personen. Door hen te stigmatiseren en hun levenswijze strafbaar te stellen, worden zij vernederd en belemmerd in hun pogingen om een menswaardig bestaan op te bouwen, wat onverenigbaar is met artikel 5 van het Handvest.

De toepassing van vagabondagewetten leidt bovendien tot schendingen van het recht op vrijheid. Arrestaties zonder bevel, detentie zonder duidelijke wettelijke grondslag en onduidelijke strafbepalingen maken deze wetgeving onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel en artikel 6 van het Handvest.

Het recht op een eerlijk proces wordt eveneens ondermijnd. Personen worden aangehouden op basis van een vermeend statuut en niet wegens bewezen feiten. Zij worden verplicht hun onschuld aan te tonen, wat neerkomt op zelfincriminatie en een omkering van de bewijslast, in strijd met de onschuldpresumptie en artikel 7.

Daarnaast beperken deze wetten de vrijheid van verplaatsing zonder aantoonbaar verband met criminaliteitsbestrijding. Minder ingrijpende alternatieven zoals sociale ondersteuning, opleiding en huisvesting zijn beschikbaar en verdienen voorrang boven strafrechtelijke repressie.

De impact op gezinnen is aanzienlijk. Arrestaties en gedwongen verplaatsingen leiden tot gezinsbreuken, verlies van inkomen en verhoogde kwetsbaarheid van kinderen, ouderen en personen met een handicap. Dergelijke maatregelen tasten de bescherming van het gezin aan zoals gewaarborgd door artikel 18 van het Handvest.

Voor kinderen zijn de gevolgen bijzonder ernstig. Straatkinderen en andere kwetsbare minderjarigen worden disproportioneel geviseerd, ondervinden discriminatie en verliezen vaak hun sociale netwerken. Arrestatie, detentie en gedwongen herhuisvesting zijn strijdig met hun fundamentele rechten, hun recht op een eerlijk proces en het beginsel van het hoger belang van het kind.

Ook vrouwen worden onevenredig getroffen. Arme en gemarginaliseerde vrouwen die actief zijn in de informele economie lopen voortdurend het risico te worden gearresteerd omdat zij hun bestaansmiddelen niet kunnen “verantwoorden”. Dit vormt een schending van hun recht op waardigheid, gelijkheid en non-discriminatie zoals beschermd door het Protocol inzake de rechten van de vrouw in Afrika.

Gelet op al deze vaststellingen bevestigt het Hof dat vagabondagewetten onverenigbaar zijn met het Afrikaans mensenrechtenkader. De staten die partij zijn bij het Handvest zijn verplicht deze wetgeving te wijzigen of volledig af te schaffen en beleid te ontwikkelen dat armoede niet criminaliseert maar bestrijdt via sociale, economische en structurele maatregelen.

Lees het volledige commentaar in de oorspronkelijke taal: