Het geschil betreft de vraag of gezinnen met minderjarige kinderen bij aanhoudende wanbetaling van de waterfactuur volledig kunnen worden afgesloten van drinkwater. De geldende Nederlandse Afsluitregeling en het daarop gebaseerde beleid van de drinkwaterbedrijven Dunea en PWN laten deze mogelijkheid uitdrukkelijk toe .
Toegang tot water vormt een fundamenteel mensenrecht dat kan worden afgeleid uit het recht op een toereikende levensstandaard en het recht op gezondheid, zoals beschermd door het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dit recht is niet absoluut, maar elke beperking moet beantwoorden aan strikte voorwaarden van zorgvuldigheid en proportionaliteit.
Water is een primaire levensbehoefte. Voor kinderen geldt daarbij een bijzondere kwetsbaarheid: zij bevinden zich in volle lichamelijke en mentale ontwikkeling en zijn in sterke mate afhankelijk van volwassenen voor de vervulling van hun basisbehoeften. Een toereikende watervoorziening is essentieel voor drinken, hygiëne, gezondheid, schoolparticipatie en een normaal gezins- en sociaal leven.
Het bestaande regelgevend kader laat evenwel bewust toe dat gezinnen met kinderen wegens schulden worden afgesloten van water, waardoor minderjarigen het risico lopen gedurende onbepaalde tijd te moeten leven met een hoeveelheid water die onder de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie ligt.
Drinkwaterbedrijven ondernemen onvoldoende inspanningen om actief na te gaan of zich minderjarige kinderen op het adres bevinden. Bij afsluiting wordt bovendien slechts een noodvoorziening van twaalf liter water per persoon verstrekt, wat ruim onder de internationale gezondheidsnormen blijft.
Volgens de WHO brengen hoeveelheden onder twintig liter per persoon per dag ernstige gezondheidsrisico’s met zich mee, terwijl pas vanaf vijftig tot honderd liter sprake is van een aanvaardbaar tot optimaal toegangsniveau.
Door deze situatie te laten voortbestaan handelen zowel de Staat als de drinkwaterbedrijven in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm en met het beginsel van het hoger belang van het kind, zoals verankerd in artikel 3, lid 1, van het Kinderrechtenverdrag.
Hoewel het Hof niet voorschrijft welk systeem moet worden ingevoerd, staat vast dat het beleid zodanig moet worden aangepast dat kinderen in Nederland, voor zover redelijkerwijs mogelijk, niet onder het minimale door de WHO aanbevolen niveau van watervoorziening terechtkomen.
Lees de samenvatting in een andere taal :