Deze bijdrage, gebaseerd op de rechtspraktijk van de auteurs, is gewijd aan de contouren van de standstill-verplichting die voortvloeit uit artikel 23 van de Grondwet in socialezekerheidsgeschillen.
In een eerste fase en op basis van de rechtspraak proberen de auteurs een aantal elementen te belichten die dit principe van standstill kenmerken, zowel wat het toepassingsgebied ervan betreft als de concrete draagwijdte.
Door dit te doen schetsen ze een aantal grenzen die moeten worden gerespecteerd door wetgevers die geneigd zouden zijn om sociale rechten te laten evolueren in de richting van een “terugtrekking”, evenals door de sociaal verzekerden die zichzelf willen beschermen door een beroep te doen op artikel 23 van de Grondwet.
In een tweede fase, en op een meer prospectieve manier, neemt de bijdrage afstand van de verworven elementen om te proberen bepaalde perspectieven te schetsen bij de toepassing van dit standstill-beginsel door de rechters. De auteurs onderzoeken met name de vergelijkingspunten tussen de op het standstill-beginsel gebaseerde redenering en die welke zou bestaan in een rechtstreekse controle op de overeenstemming met artikel 23 van de Grondwet, en proberen te bepalen in hoeverre de twee redeneringen conflicteren, convergeren of elkaar aanvullen.
Ook wordt in de bijdrage de vraag gesteld of het gebruik van het standstill-beginsel in de individuele geschillen over subjectieve rechten de rechter toestaat, of zelfs oplegt, over te gaan tot een individuele of categorische benadering van de problematiek eerder dan strikt abstract.
Lees het volledige artikel in de oorspronkelijke taal: