Verschillende verenigingen en een natuurlijke persoon vorderden de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 dat de voorwaarden voor de volledige of gedeeltelijke kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand wijzigt. Het beroep richtte zich in het bijzonder tegen de verenigbaarheid van deze hervorming met artikel 23 van de Grondwet en de daarin vervatte standstill-verplichting .
Het bestreden besluit vervangt het begrip “inkomen” door “bestaansmiddelen”, zet onweerlegbare vermoedens om in weerlegbare vermoedens en laat toe dat juridische bijstand wordt geweigerd wanneer tekenen en aanwijzingen wijzen op hogere bestaansmiddelen dan aangegeven. Hierdoor kunnen personen die vroeger automatisch toegang hadden tot juridische bijstand, voortaan worden uitgesloten.
Deze wijzigingen betekenen een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau. Personen die zich in een wettelijk omschreven kwetsbare situatie bevinden, kunnen hun recht op juridische bijstand verliezen indien wordt geoordeeld dat zij over voldoende middelen beschikken, terwijl ook materiële elementen in aanmerking mogen worden genomen die voorheen buiten beschouwing bleven.
De Raad van State onderzoekt of deze achteruitgang kan worden gerechtvaardigd door redenen van algemeen belang. Uit de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 6 juli 2016 blijkt dat de hervorming beoogt de juridische bijstand voor te behouden aan rechtzoekenden die er daadwerkelijk behoefte aan hebben, in een context van budgettaire beperkingen en de noodzaak misbruik tegen te gaan.
Deze doelstellingen worden als legitiem beschouwd en sluiten aan bij de strijd tegen armoede, gelijke kansen en sociale cohesie. De maatregelen maken het mogelijk om publieke middelen gericht in te zetten ten voordele van de meest behoeftigen.
Volgens de Raad van State zijn de maatregelen bovendien evenredig. Zij tasten de essentie van het recht op juridische bijstand niet aan, maar laten toe de reële financiële situatie van de aanvrager te beoordelen. De verplichting om bijkomende documenten voor te leggen is op zichzelf niet buitensporig.
Wel worden belangrijke toepassingsrichtsnoeren vastgelegd. Tekenen en aanwijzingen mogen enkel worden gebruikt indien zij overeenstemmen met de werkelijke bestaansmiddelen. Uitzonderlijke lasten, zoals bij overmatige schuldenlast, moeten in rekening worden gebracht. Weigeringsbeslissingen moeten worden gemotiveerd en zijn vatbaar voor rechterlijke toetsing.
De Raad van State besluit dat het koninklijk besluit geen schending inhoudt van artikel 23 van de Grondwet, noch van het recht op toegang tot de rechter en het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Lees de samenvatting in een andere taal :