De burgemeester van Vorst besliste tot de ontruiming van een gemeentelijk gebouw dat door vijfentwintig tot dertig personen zonder titel of recht werd bewoond. Onder de bewoners bevonden zich een aanzienlijk aantal kinderen. Het ging om een voormalig kantoorgebouw dat na renovatiewerken zou worden omgevormd tot sociale woningen. Enkele bewoners stelden tegen deze beslissing een beroep in tot schorsing en nietigverklaring volgens de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid .
De gemeente betwistte het procesbelang van de verzoekers en stelde dat zij enkel het behoud van een onwettige toestand nastreefden. Dat argument werd verworpen. De Raad van State is niet bevoegd om te oordelen over de strafrechtelijke kwalificatie van de feiten, noch om vast te stellen of de bewoners zich schuldig hebben gemaakt aan huisvredebreuk. De verzoekers waren bovendien niet strafrechtelijk veroordeeld en zelfs in geval van een misdrijf zou een nietigverklaring van het ontruimingsbevel geen beletsel vormen voor strafrechtelijke of burgerrechtelijke vervolging.
Het bestaan van een legitiem procesbelang werd dan ook erkend. Vervolgens werd vastgesteld dat aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid was voldaan. De verzoekers hadden internationale bescherming aangevraagd en verbleven in het gebouw bij gebrek aan opvangplaatsen binnen het Fedasil-netwerk. Een concreet aanbod tot herhuisvesting ontbrak volledig.
De onmiddellijke uitvoering van het ontruimingsbevel dreigde hun reeds bijzonder precaire situatie verder te verergeren. De maatregel kon bovendien een inmenging vormen in het recht op onschendbaarheid van de woning en het recht op eerbiediging van het privéleven, een inmenging die door voorafgaande rechterlijke toetsing kon worden voorkomen. Het bevel veroorzaakte een ernstig nadeel dat niet kon worden verholpen via een gewone nietigverklaringsprocedure.
Ook het bestaan van een dreigend gevaar dat niet tijdig kon worden afgewend door een gewone schorsingsvordering werd erkend. De verzoekers hadden met het indienen van hun beroep binnen acht dagen blijk gegeven van de vereiste zorgvuldigheid.
Ten gronde werd geoordeeld dat verschillende middelen gegrond waren. Het ontruimingsbevel was gebaseerd op artikel 135, lid 2, van de Nieuwe Gemeentewet, dat de gemeenten een algemene bestuurlijke politiebevoegdheid verleent ter bescherming van de openbare veiligheid en gezondheid. Deze bepaling vereist evenwel het bestaan van een verstoring van de openbare orde.
Wanneer het betrokken gebouw geen openbaar gebouw is, moet een ontruimingsbesluit nauwkeurig aangeven waarin het veiligheids- of gezondheidsrisico bestaat, aantonen dat dit risico ook voorbijgangers of omwonenden treft en motiveren waarom een ontruiming redelijkerwijs noodzakelijk is.
In dit geval steunde het bevel op feiten die gedeeltelijk tegenstrijdig waren en onvoldoende werden aangetoond. Uit de motivering bleek niet waarom deze elementen, zelfs indien zij vaststonden, een reëel gevaar zouden opleveren voor de openbare veiligheid of gezondheid. Het besluit voldeed bijgevolg niet aan de vereisten van uitdrukkelijke motivering en kon geen geldige wettelijke grondslag vinden in artikel 135, lid 2, van de Nieuwe Gemeentewet.
Lees de samenvatting in een andere taal :