De hervorming van de leeftijdsgrens voor handicapgerelateerde uitkeringen past in een context van ingrijpende veranderingen binnen de sociale zekerheid en een streven naar rationalisering van de overheidsuitgaven. Ze berust op een steeds scherpere onderscheidmaking tussen personen bij wie de handicap vóór een bepaalde leeftijd ontstaat en personen die later in hun leven een handicap verwerven. Dit onderscheid structureert de toegang tot de verschillende uitkeringen en bepaalt zowel de hoogte als de aard van de toegekende sociale rechten.

Historisch is het Belgische stelsel opgebouwd rond twee hoofdregelingen: de verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een handicap en de uitkeringen voor personen met een handicap op volwassen leeftijd, met name de inkomensvervangende tegemoetkoming en de integratietegemoetkoming. De leeftijd waarop de handicap wordt erkend speelt een doorslaggevende rol bij de toewijzing aan het ene of het andere regime. Deze logica werd versterkt door opeenvolgende hervormingen, die de leeftijdsdrempel geleidelijk hebben opgetrokken en de overgangsvoorwaarden tussen de regelingen complexer hebben gemaakt.

De recente hervorming beoogt de situatie te stabiliseren van begunstigden bij wie de handicap vóór de leeftijdsgrens wordt erkend, door hen toe te laten bepaalde rechten na de meerderjarigheid te behouden, terwijl zij tegelijk de behandeling van personen bij wie de handicap pas later wordt vastgesteld grondig wijzigt. Deze benadering vertrekt van de idee dat sociale en professionele integratie waarschijnlijker is wanneer de handicap zich op jonge leeftijd voordoet, terwijl later ontstane handicaps veeleer via andere mechanismen van sociale bescherming zouden worden opgevangen.

Deze differentiatie roept evenwel belangrijke juridische en sociale vragen op. Zij creëert een ongelijke behandeling tussen personen die zich in vergelijkbare handicapsituaties bevinden, maar verschillend worden ingedeeld op basis van een louter chronologisch criterium. De keuze voor leeftijd als doorslaggevend element is betwistbaar in het licht van de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, temeer daar de impact van een handicap op autonomie en maatschappelijke participatie niet noodzakelijk afhangt van het moment waarop die handicap ontstaat.

De hervorming wijzigt ook de onderliggende solidariteitslogica van het stelsel. Door sterker in te zetten op individuele verantwoordelijkheid en activering dreigt zij de compenserende functie van handicapuitkeringen te ondergraven. Begunstigden worden steeds vaker geconfronteerd met strikte evaluaties van hun verdienvermogen en hun graad van zelfredzaamheid, wat hun financiële zekerheid kan aantasten.

Tot slot maakt de toegenomen complexiteit van de regels en de overgangen tussen de verschillende regelingen het systeem minder doorzichtig voor de betrokken personen en vergroot zij het risico op onderbrekingen van rechten. De hervorming, die wordt voorgesteld als een technische en budgettaire aanpassing, legt zo fundamentele maatschappelijke keuzes bloot over de wijze waarop de bescherming van personen met een handicap wordt vormgegeven, tussen een logica van bijstand, een streven naar gelijkheid en een daadwerkelijke erkenning van de diversiteit aan levenslopen.

Lees het commentaar in een andere taal : Dit commentaar is alleen beschikbaar in het Frans.