De Nederlandse Raad van State heeft in zijn arrest van 23 juli 2025 (nr. 202404274/1/V3) het beroep van de minister van Asiel en Migratie met betrekking tot een asielprocedure in het kader van het Dublin-systeem verworpen.
Op 26 april 2024 had de Nederlandse minister geweigerd het verzoek om een verblijfsvergunning op grond van asiel van X, een Afghaanse onderdaan, in behandeling te nemen, omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was voor de behandeling van dit verzoek. Deze beslissing was gebaseerd op het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, waarbij werd aangenomen dat de behandeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming zou zijn met het Handvest van de Europese Unie (EU-Handvest), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ( EVRM) en het Verdrag van Genève.
X, een alleenstaande man die niet kwetsbaar was, vreesde dat hij in België geen toegang zou krijgen tot opvang en was van mening dat hij een reëel risico liep om in een situatie terecht te komen die in strijd was met artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM. Het Hof in Den Haag oordeelde op 4 juli 2024 dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat zij zich nog steeds op het beginsel van wederzijds vertrouwen kon baseren met betrekking tot België.
In hoger beroep erkende de Nederlandse minister dat België zijn opvangverplichtingen ten aanzien van niet-kwetsbare alleenstaande mannen bleef schenden, maar voerde zij aan dat de opvang niet volledig was stopgezet en dat er nog steeds noodvoorzieningen of opvang voor daklozen beschikbaar waren.
De Raad van State constateerde dat er structurele tekortkomingen waren in de Belgische opvangvoorzieningen en dat er structurele tekortkomingen waren op het gebied van rechtsbescherming, waardoor niet-kwetsbare alleenstaande mannen hun rechten niet doeltreffend konden doen gelden voor de Belgische rechtbanken. De Raad van State stelde ook een onverschilligheid van de Belgische autoriteiten van, die ervoor kiezen geen oplossingen voor het gebrek aan opvang te zoeken en weigeren gerechtelijke beslissingen uit te voeren of de opgelegde dwangsommen te betalen.
De Raad van State concludeerde dat de Nederlandse minister zich niet langer kon baseren op de veronderstelling dat de behandeling van X in België in overeenstemming zou zijn met het EU-Handvest, het EVRM en het Verdrag van Genève, en bevestigde daarmee het bestreden vonnis.
De Raad van State herinnerde eraan dat het aan de administratieve rechter is om op basis van de feiten te onderzoeken of asielzoekers het risico lopen op onmenselijke behandeling als gevolg van structurele problemen in de lidstaat van bestemming. De vaststelling van dergelijke systeemtekortkomingen houdt in dat asielzoekers tijdelijk niet meer naar die lidstaat kunnen worden overgedragen en hun asielprocedure in Nederland moeten voortzetten. De Raad van State erkende dat deze situatie afbreuk doet aan de goede werking van de Dublinverordening en de samenwerking tussen de lidstaten, en stelde dat het aan de nationale en Europese autoriteiten is om toe te zien op de correcte werking van het systeem.
Lees de samenvatting in een andere taal :