Artikel 23 van de Grondwet bepaalt dat de bevoegde wetgevers de economische, sociale en culturele rechten dienen te waarborgen. De vraag is of deze wetgevers deze taak grotendeels kunnen delegeren aan de uitvoerende macht (d.w.z. de regering), of dat zij de meest essentiële aspecten zelf moeten regelen. Het Grondwettelijk Hof heeft een middenpositie ingenomen. Volgens het Hof bevat artikel 23 van de Grondwet weliswaar een legaliteitsbeginsel dat de tussenkomst van een democratisch verkozen wetgevende vergadering vereist, maar dit heeft een (zeer) beperkte draagwijdte. Deze rechtspraak lijkt te kunnen worden verklaard door het ontbreken van een duidelijke bedoeling van de grondwetgever in 1994 om op deze gebieden een strikt legaliteitsbeginsel in te voeren, alsmede door het feit dat de betrokken aangelegenheden wegens hun technische en evolutieve aard gewoonlijk grotendeels door de uitvoerende macht worden geregeld. Deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof is door rechtsgeleerden en door de afdeling wetgeving van de Raad van State aangevochten, zij het op verhulde wijze. Deze kritiek doet de vraag rijzen of een omkering van de rechtspraak van het Hof op dit punt passend en/of wenselijk is.
Lees het volledige artikel in de oorspronkelijke taal: