Het hof van beroep veroordeelt de beklaagde voor het strafbare verhuren van een ongeschikte en onbewoonbare woning aan de burgerlijke partij gedurende de periode van februari 2014 tot januari 2017. Voor het bewijs van het strafbare feit achtte het hof van beroep het niet relevant dat de burgerlijke partij, als huurder, de wooninspectie niet had verzocht een onderzoek naar de geschiktheid en bewoonbaarheid van het verhuurde pand uit te voeren. Evenmin werd het verweer aanvaard dat de beklaagde geen misbruik zou hebben gemaakt van de kwetsbare toestand van zijn huurder, die hij zou hebben willen helpen omdat deze verwikkeld was in een echtscheidingsprocedure en financiële problemen had, noch dat de huurprijs tijdens die periode werd verminderd van 500 naar 250 euro per maand.

Voor het bepalen van de strafmaat, bestaande uit een minimumgeldboete waarvan de helft met uitstel werd opgelegd, hield het hof van beroep onder meer rekening met het feit dat de beklaagde zijn huurder met familiale en financiële problemen had willen helpen.

Het hof van beroep sprak de bijkomende straf uit van de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen voortvloeiend uit het misdrijf, met name de huuropbrengsten. Het feit dat de huurder ondanks de gebreken aan de woning zeer tevreden zou zijn geweest over de woning, werd door het hof van beroep niet relevant geacht voor de beslissing tot verbeurdverklaring noch voor het bepalen van de omvang van de vermogensvoordelen.

De huurder had zich burgerlijke partij gesteld met het oog op de terugbetaling van de huurgelden. Het hof van beroep aanvaardde dat de huurder materiële schade had geleden als gevolg van het misdrijf, aangezien hij gedurende die periode in een ongeschikte en onbewoonbare woning had moeten leven, wat zijn levenskwaliteit aantastte. Het hof merkte echter ook op dat de huurder een zeker genot van de woning had gehad. Bijgevolg oordeelde het hof van beroep dat de huurder geen recht had op een volledige terugbetaling van de huurgelden en werd de vergoeding voor de betaalde huurgelden verminderd.

Het hof van beroep kende tevens een vergoeding toe aan de huurder, als burgerlijke partij, voor de kosten van achternageloop, maar wees de vordering af voor de kosten van brandverzekering en onroerende voorheffing omdat deze geen oorzakelijk verband vertoonden met het misdrijf. Tot slot werd aan de huurder ook een rechtsplegingsvergoeding toegekend voor de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, aangezien hij zich had laten bijstaan door een advocaat.

Lees de samenvatting in een andere taal :