Het hof van beroep veroordeelt de beklaagde voor het strafbare verhuren van twee ongeschikte en onbewoonbare woningen in een pand gedurende de periode van september 2017 tot januari 2020. Het feit dat de huurders de staat van het gehuurde goed kenden, daarover nooit zouden hebben geklaagd en geen huurwaarborg hebben moeten betalen, werd door het hof van beroep niet relevant geacht voor het bewezen verklaren van de misdrijven en het bepalen van de strafmaat. Evenmin werd het verweer aanvaard dat de beklaagde de huurders niet zomaar op straat wilde zetten en hen had toegelaten verder in het pand te blijven wonen omwille van hun penibele financiële situatie.

Bij de straftoemeting, beperkt tot een minimumgeldboete, hield het hof van beroep wel rekening met onder meer het feit dat de beklaagde zelf de achterstallige rekeningen voor de nutsvoorzieningen van de huurders van één van de woningen had betaald.

Het hof van beroep sprak daarnaast de bijkomende straf uit van de bijzondere verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen voortvloeiend uit het misdrijf, met name de huuropbrengsten. Voor het bepalen van de omvang van deze vermogensvoordelen hield het hof onder meer rekening met de verklaring van de huurders van één van de woningen dat zij tussen 2018 en januari 2020 geen huur hadden betaald aan de beklaagde. Het feit dat de beklaagde de kosten van de nutsvoorzieningen in de plaats van de huurders had gedragen, werd niet relevant geacht voor het bepalen van de omvang van de vermogensvoordelen.

Op vordering van de huurder van één van de woningen, die zich burgerlijke partij had gesteld, verklaarde het hof van beroep de huurovereenkomst nietig en veroordeelde het de beklaagde tot terugbetaling van de huurgelden die de huurder aan de verhuurder had betaald. De vordering van de beklaagde tot betaling door de huurder van een bezettingsvergoeding werd afgewezen. Het hof van beroep veroordeelde de beklaagde eveneens tot betaling aan de huurder, als burgerlijke partij, van een schadevergoeding voor morele schade en administratiekosten. Tot slot kende het hof van beroep een rechtsplegingsvergoeding toe voor de procedures in eerste aanleg en in hoger beroep, aangezien de huurder zich had laten bijstaan door een advocaat.

Lees de samenvatting in een andere taal :