De procedure voor gezinshereniging in België is onderworpen aan de voorwaarde van « stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen ». Volgens de wetgever wordt deze vereiste gerechtvaardigd om de migratiestromen te beheersen en te voorkomen dat betrokkenen ten laste van de overheid vallen.
Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzoekt het Grondwettelijk Hof het verschil in behandeling tussen Belgen die hun recht op vrij verkeer niet hebben uitgeoefend, van wie uitsluitend de eigen middelen in aanmerking worden genomen, en onderdanen van derde landen, voor wie de rechtspraak van het Hof van Justitie ook toelaat rekening te houden met de middelen van de persoon met wie de gezinshereniging plaatsvindt. Het Hof oordeelt dat dit verschil in behandeling niet kan worden gerechtvaardigd is in het licht van de nagestreefde doelstellingen en een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van het gezinsleven, gewaarborgd door artikel 8 EVRM. Bijgevolg zijn de betwiste bepalingen, in de interpretatie waarbij de bestaansmiddelen van de gezinsherenigde worden uitgesloten, onverenigbaar zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Een conforme uitlegging, waarbij de stabiele bestaansmiddelen van het familielid dat zich bij de gezinshereniger voegt in aanmerking worden genomen, kan op de betwiste bepalingen worden toegepast om hun grondwettigheid te waarborgen.
Lees de samenvatting in een andere taal :