De Vlaamse sociale bescherming vormt een aanvullende verzekering bovenop de federale sociale zekerheid voor personen met een verhoogde zorgnood. Zij omvat onder meer zorgbudgetten voor zwaar zorgbehoevenden, ouderen met een zorgnood en personen met een handicap, en is gekoppeld aan een verplichte jaarlijkse zorgpremie  .

Het decreet van 18 juni 2021 hervormde deze regeling ingrijpend. De toekenningsvoorwaarden voor het zorgbudget werden verstrengd door de verblijfsduurvoorwaarde op te trekken van vijf naar tien jaar en door een wettelijke inburgeringsplicht in te voeren. Deze nieuwe voorwaarden leiden tot een aanzienlijke vermindering van het bestaande beschermingsniveau. Het zorgbudget heeft tot doel zorgkosten te compenseren die niet door andere sociale stelsels worden gedekt, zodat deze achteruitgang niet wordt geneutraliseerd door alternatieve maatregelen.

De aangevoerde budgettaire doelstellingen zijn op zich legitiem, maar er kan niet worden aangetoond dat een langere verblijfsduur het financiële evenwicht van het systeem daadwerkelijk bevordert. Evenmin bestaat er een relevant verband tussen de inburgeringsplicht en de doelstellingen van financiële houdbaarheid of maatschappelijke integratie. De betrokken bepalingen zijn daarom strijdig met het standstillbeginsel van artikel 23 van de Grondwet en worden vernietigd.

Ook de voorwaarden voor de sociaal gecorrigeerde zorgpremie worden aanzienlijk verzwaard. Personen in een precaire financiële situatie moeten voortaan gedurende vijf jaar de volledige premie betalen en voldoen aan een inburgeringsplicht, terwijl zij juist het doelpubliek vormen van de sociale correctie. Deze regeling legt bijkomende financiële lasten op en kan leiden tot administratieve boetes bij niet-betaling, wat de bestaansonzekerheid verder vergroot.

De maatregel blijkt innerlijk tegenstrijdig en niet redelijk verantwoord. Er bestaat geen overtuigend verband tussen de inburgeringsplicht en de financiële draagkracht van de betrokkenen. Bovendien brengt het inburgeringstraject zelf kosten mee, waardoor financieel kwetsbare nieuwkomers dubbel worden getroffen. Ook deze bepalingen schenden het grondwettelijke standstillbeginsel en worden vernietigd.

Daarnaast werd een dossiertaks van 75 euro ingevoerd als ontvankelijkheidsvoorwaarde voor administratief beroep. Hoewel deze financiële drempel de toegang tot de rechter beperkt, wordt zij in beginsel als evenredig beschouwd wegens de bestaande verminderingen, vrijstellingen en terugbetaling bij een gegrond beroep.

De regeling schendt echter het gelijkheidsbeginsel doordat niet alle rechthebbenden op een verhoogde tegemoetkoming volledig worden vrijgesteld. Ook het ontbreken van terugbetaling wanneer een administratief beroep ten onrechte ongegrond werd verklaard, is problematisch. In die mate worden de bepalingen vernietigd, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Lees de samenvatting in een andere taal: