De heer A., afkomstig uit Gaza, diende in 2021 een aanvraag tot internationale bescherming in en wacht nog steeds op een definitieve beslissing. Tijdens deze procedure verblijft hij in de opvangstructuur van Fedasil te Gent, waar hij materiële hulp ontvangt.
In 2022 besliste Fedasil om de verplichte plaats van inschrijving op te heffen, waardoor de heer A. het opvangcentrum moest verlaten. Hoewel hij beschikt over een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en een inkomen boven het leefloon, blijkt uit de concrete omstandigheden dat hij moeilijk toegang vindt tot de private huurmarkt.
Ondanks intensieve inspanningen en begeleiding door de sociale dienst van Fedasil wordt hij systematisch geweigerd door verhuurders, vastgoedkantoren en het sociaal verhuurkantoor wegens zijn beperkte verblijfsrecht. Hij kan evenmin terugvallen op een sociaal netwerk of op steun van het OCMW wegens het ontbreken van een domicilie of voorafgaand dakloosheidsverblijf.
Deze situatie creëert een reëel risico op dakloosheid bij opheffing van de inschrijving. De loutere vaststelling dat voldoende bestaansmiddelen aanwezig zijn, volstaat niet om volledige zelfredzaamheid aan te nemen.
Een beslissing tot opheffing moet rekening houden met de persoonlijke situatie van de betrokkene en met het evenredigheidsbeginsel. In dit geval zou de maatregel een onevenredig nadeel veroorzaken en de menselijke waardigheid in het gedrang brengen.
Het argument dat maatschappelijke dienstverlening door het OCMW volstaat, miskent deze realiteit, aangezien de betrokkene eerst dakloos zou moeten worden, met het risico zijn tewerkstelling te verliezen.
De opheffing van de verplichte inschrijving leidt daarom tot een disproportionele inmenging en kan niet worden gehandhaafd. De materiële opvang moet worden voortgezet om de menselijke waardigheid te waarborgen.
Lees de samenvatting in een andere taal :