Bij arrest van 26 februari 2026 schorste het Grondwettelijk Hof de strengere regels voor gezinshereniging die de wet van 18 juli 2025 oplegde aan subsidiair beschermden en hun gezinsleden die zich buiten het Belgische grondgebied bevinden. Die wet onderwerpt de machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden voor nareizende gezinsleden aan vier cumulatieve voorwaarden: de betaling van een retributie, een wachttijd van twee jaar, voorwaarden inzake bestaansmiddelen, huisvesting en ziekteverzekering, alsook strengere bewijsregels voor verwantschaps- of aanverwantschapsbanden.
Twee families vorderden zowel de schorsing als de vernietiging van deze maatregelen. Om de schorsing te bekomen, dienden zij aan te tonen dat een aangevoerd middel ernstig is én dat de onmiddellijke uitvoering van de bestreden bepalingen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan veroorzaken.
Het Hof stelde vast dat subsidiair beschermden inzake gezinshereniging aan minder gunstige regels worden onderworpen dan vluchtelingen, een onderscheid dat voortvloeit uit richtlijn 2003/86/EG, die subsidiair beschermden uitdrukkelijk van haar toepassingsgebied uitsluit. Het Hof besliste daarom het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken zich uit te spreken over de vraag of deze richtlijn ongeldig is wegens dit verschil in behandeling (eerste vraag), en, voor het geval zij geldig wordt geacht, of het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zich verzet tegen dergelijke nationale maatregelen (tweede vraag).
Voorts merkte het Hof op dat richtlijn 2011/95/EU weliswaar tot doel heeft de eenheid van het gezin van subsidiair beschermden te waarborgen, doch het begrip “gezinsleden” beperkt tot de leden die zich, wegens de aanvraag om internationale bescherming, in dezelfde lidstaat bevinden. Het Hof vroeg het Hof van Justitie van de Europese Unie bijgevolg of deze richtlijn en verordening (EU) 2024/1347 ongeldig zijn voor zover zij dit begrip aldus beperken (derde vraag), en, zo niet, of het Handvest zich verzet tegen de bestreden nationale bepalingen die gezinsleden buiten het grondgebied ongunstiger behandelen (vierde vraag).
Ten slotte stelde het Hof de vraag of het recht op eerbiediging van het gezinsleven en de rechten van het kind, zoals gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich verzetten tegen de strengere voorwaarden inzake gezinshereniging die door de bestreden bepalingen opgelegd worden (vijfde vraag).
Het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd aangetoond in het geval van de eerste familie: een Jemeniet met subsidiaire bescherming in België, wiens echtgenote en minderjarig kind reeds anderhalf jaar van hem gescheiden zijn en verblijven in een land dat gebukt gaat onder een ernstige humanitaire crisis, waar gezinshereniging onmogelijk is.
Het Hof heeft de bestreden bepalingen van de wet van 18 juli 2025 dan ook geschorst, en heeft bevolen dat deze schorsing van kracht blijft totdat het uitspraak heeft gedaan over de beroepen tot vernietiging, na ontvangst van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de vijf gestelde prejudiciële vragen.
Lees de samenvatting in een andere taal :