Op 5 juni 2024 vaardigde de burgemeester van Anderlecht een politiebevel uit tot ontruiming van een privégebouw aan de Joseph Wybranlaan. Het gebouw werd bewoond door een groep van ongeveer 150 tot 200 personen, waaronder zestig kinderen, ouderen en kwetsbare gezinnen. De bewoners, kandidaat-vluchtelingen wier aanvragen voor internationale bescherming door Fedasil waren geweigerd, verbleven er bij gebrek aan opvangmogelijkheden. Het pand was eigendom van een privévennootschap en stond reeds jarenlang leeg.
Het bevel steunde op verslagen van de gemeentelijke hygiënedienst waarin melding werd gemaakt van afval, bouwmaterialen, beschadigde elektriciteitskabels, gaten in de vloer en ontbrekende veiligheidshekken. Ook werd gewezen op de bijzondere kwetsbaarheid van bepaalde bewoners. Daarnaast verwees het besluit naar een melding van het Universitair Ziekenhuis Brussel over vermeend storend gedrag van niet-geïdentificeerde personen.
Twee bewoners dienden bij de Raad van State een verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. De gemeente voerde aan dat hun procesbelang onwettig was omdat het neerkwam op het behoud van een bezetting zonder titel of recht.
Dit ontvankelijkheidsbezwaar werd verworpen. De Raad van State stelde vast dat de verzoekers niet strafrechtelijk veroordeeld waren en dat de nietigverklaring van het bevel geen beletsel zou vormen voor eventuele burgerlijke of strafrechtelijke procedures. Een te strikte interpretatie van het legitiem belang zou elke rechterlijke bescherming tegen administratief misbruik onmogelijk maken.
De uiterst dringende noodzakelijkheid werd erkend, aangezien de uitvoering van het bevel de dag na de indiening van het beroep was voorzien. De dreigende ontruiming vormde een onmiddellijk gevaar voor het verlies van de woonplaats. Ook een onwettig bezette ruimte kan immers een woning vormen in de zin van artikel 8 EVRM, zodat een voorafgaande rechterlijke toetsing essentieel is.
Ten gronde werd onderzocht of de burgemeester bevoegd was om een privégebouw te ontruimen op grond van de artikelen 133 tot 135 van de Nieuwe Gemeentewet. Wanneer het geen openbaar of gemeentelijk gebouw betreft, moet worden aangetoond dat de vastgestelde gebreken niet alleen een risico vormen voor de bewoners, maar ook voor voorbijgangers of omwonenden.
Uit het administratief dossier bleek niet dat dergelijke risico’s concreet waren aangetoond. De aangehaalde vaststellingen werden deels tegengesproken door foto’s en door het verslag van een gezamenlijke plaatsbezoek met gemeentelijke diensten en sociale organisaties. De kwetsbaarheid van de bewoners kon op zich geen bevoegdheidsgrond vormen voor bestuurlijke politie.
Ook de verwijzing naar incidenten in het Erasmusziekenhuis bleek zonder enig verband met de bewoners van het betrokken gebouw. De feitelijke elementen waren onvoldoende onderbouwd en de formele motivering maakte niet duidelijk waarom sprake zou zijn van een reëel gevaar voor de openbare veiligheid of gezondheid.
Bij gebrek aan een aantoonbare verstoring van de openbare orde handelde de burgemeester buiten de grenzen van zijn bevoegdheid. Indien de eigenaar een einde wilde maken aan de bezetting, diende hij zich tot de bevoegde vrederechter te wenden overeenkomstig het gerechtelijk recht.
De Raad van State beveelt daarom de schorsing van de uitvoering van het ontruimingsbevel, ter bescherming van de woonplaats en de fundamentele rechten van de betrokken bewoners.
Lees de samenvatting in een andere taal :