Op 25 september 2025 sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over het beroep tot nietigverklaring dat was ingesteld tegen bepaalde zinnen van artikel 13 van Brussel Digitaal, de gezamenlijke ordonnantie van 25 januari en 1 februari 2024 over de digitale transitie van de overheidsinstanties. De betwiste formuleringen leken afwijkingen toe te laten op het garanderen van een drievoudige niet-digitale toegang tot de Brusselse openbare diensten: fysiek onthaal, telefonische dienstverlening en post.

Het Grondwettelijk Hof bevestigde dat artikel 13 niet tot doel had om via “gelijkwaardige maatregelen” alle niet-digitale toegangsmogelijkheden af te schaffen, noch om uitzonderingen op deze drievoudige toegang toe te staan, zelfs niet in geval van “onevenredige last”. Het Hof verwierp het beroep van de twintig verzoekende verenigingen, maar bood via zijn interpretatie wel alle garanties voor de gewenste “menselijke” alternatieven voor digitalisering.

In 2023 bevindt 40 % van de Belgen tussen 16 en 74 jaar zich in een situatie van digitale kwetsbaarheid, een daling van 6 punten ten opzichte van 2021, maar het percentage blijft hoger dan het Europese gemiddelde. 11 % van de personen met een laag inkomen heeft nog steeds geen internetverbinding thuis, en een kwart beschikt uitsluitend over een smartphone om te surfen. Sociale, economische en culturele kwetsbaarheid zijn meestal de oorzaak van digitale kwetsbaarheid.

Mensen met een precaire sociale, economische en culturele status, die het meest dringend een beroep moeten doen op openbare diensten, hebben meer moeite om digitaal met deze diensten te communiceren, wat een belemmering vormt voor de uitoefening van hun fundamentele rechten. De vooruitgang vergroot in werkelijkheid de kloof.

Brussel Digitaal heeft de ordonnantie van 2014 ingetrokken en de digitalisering grondig herzien door deze verplicht te maken in de relaties tussen overheidsinstanties en burgers. Het toepassingsgebied ratione personae is bijzonder uitgebreid en omvat alle administratieve instanties van de drie gefedereerde entiteiten, de gemeenten, intercommunales en gemeentelijke vzw’s.

Overheidsinstanties moeten alternatieven voor elke onlineprocedure of -communicatie aanbieden: minimaal een fysiek onthaal, een telefonische dienst en contact per post, met de mogelijkheid van alternatieve maatregelen die een gelijkwaardig serviceniveau garanderen. Het is deze mogelijkheid van “gelijkwaardige maatregelen” die bij verenigingen tot bezorgdheid heeft geleid.

Het Hof baseert zich op de voorbereidende werkzaamheden om te bevestigen dat het niet de bedoeling van de wetgever was dat de toegang tot openbare diensten alleen digitaal mogelijk zou zijn en dat “gelijkwaardige” alternatieven ook niet-digitaal moeten zijn. De uitzondering wegens “onevenredige last” moet strikt worden geïnterpreteerd en laat niet toe om af te zien van de drievoudige niet-digitale toegang noch van een gelijkwaardig niet-digitaal alternatief.

Het Hof erkent een gelijk recht op toegang tot openbare diensten, eerder dan een recht op niet-digitale toegang als zodanig. Het debat over het belang van een uitdrukkelijke verankering in de Grondwet van een “recht op niet-digitaal”, gebaseerd op de keuzevrijheid van de burger, blijft open.

Het Waals Gewest heeft ondubbelzinnig beslist dat het aan de overheid is om iedereen gelijke toegang tot openbare diensten te garanderen. Het vastleggen van een recht op niet-digitale alternatieven wanneer een dienst gedigitaliseerd wordt, zou vanuit een streven naar soberheid, voldoende kunnen zijn. De ware vooruitgang zou kunnen worden afgemeten aan de mate van inclusie die zij teweegbrengt, of aan de afwezigheid van uitsluiting die zij veroorzaakt.

Lees het commentaar in de oorspronkelijke taal: