Het Grondwettelijk Hof heeft op 25 september 2025 arrest nr. 126/2025 uitgesproken over de ordonnantie “Brussel Digitaal” uit 2024. Deze ordonnantie beoogde de volledige digitalisering van gemeentelijke, gewestelijke en Brusselse openbare diensten.

Om inclusiviteit en toegankelijkheid te waarborgen tijdens de digitale transitie, moesten openbare diensten in principe drie niet-digitale alternatieven blijven aanbieden: fysieke loketten, telefonische dienstverlening en communicatie per post. Artikel 13 van de ordonnantie leek echter ruimte te laten voor afwijkingen of zelfs het volledig wegvallen van deze alternatieven.

Een twintigtal Brusselse middenveldorganisaties – verenigingen, federaties en vakbonden – dienden daarom een beroep tot vernietiging in bij het Grondwettelijk Hof. Unia, het instituut voor gelijke behandeling en de strijd tegen discriminatie, kwam tussen in de procedure.

De verzoekers voerden aan dat het ontbreken van niet-digitale alternatieven discriminatie inhoudt van personen in digitale kwetsbaarheid en indirecte discriminatie van bepaalde groepen die kwetsbaarder zijn omwille van financiële draagkracht, leeftijd, handicap, afkomst, sociale toestand, gezondheid, taal of nationale herkomst. Dit zou de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie (artikelen 10 en 11), de rechten van personen met een handicap (artikel 22ter) en de economische, sociale en culturele rechten (artikel 23) schenden.

Het Hof verwierp het beroep, maar verstrekte belangrijke verduidelijkingen over de waarborgen die de digitalisering omkaderen. Het oordeelde dat de drie niet-digitale alternatieven cumulatief zijn en naast de digitale toegang moeten blijven bestaan. Alternatieve maatregelen kunnen worden ingevoerd, mits ze niet-digitaal zijn en een gelijkwaardig serviceniveau garanderen. De administratie mag niet afzien van deze drie alternatieven of gelijkwaardige niet-digitale waarborgen, zelfs niet bij onevenredige belasting.

Lees de samenvatting in een andere taal :