Sinds 1978 beheerde de Academie voor Muziek, Theater en Beeldende Kunsten een gebouw dat eigendom was van de Moldavische Staat en bedoeld was als woonvoorziening voor haar personeel. In 1995 werd in het kader van de privatisering van het woningbestand de juridische status van veertien gebouwen gewijzigd in die van huurblokken, waarbij bewoners via een systeem van bewonersvouchers een wettig verblijfsrecht konden verkrijgen .
Begin 2006 verzochten zeventig bewoners de rechter om de Academie te verplichten bij de lokale autoriteiten dergelijke vouchers aan te vragen voor de appartementen die zij reeds bewoonden. De procedure kende een lange en complexe rechtsgang langs verschillende instanties en eindigde in 2012 met de uithuiszetting van de bewoners, zonder dat enige alternatieve huisvestingsoplossing werd aangeboden.
De woning vormt een essentieel onderdeel van het privéleven en speelt een fundamentele rol voor menselijke identiteit, zelfbeschikking, fysieke en mentale integriteit, sociale relaties en maatschappelijke stabiliteit. De betrokken bewoners verbleven meer dan elf jaar legaal in hun appartementen, betaalden huur en vaste lasten en financierden zelf omvangrijke herstellingen die door de beheerder jarenlang waren verwaarloosd.
De nationale rechterlijke instanties beperkten zich tot de vaststelling dat geen arbeidsrelatie meer bestond tussen de bewoners en de Academie, en beschouwden het verblijf daarom als tijdelijk. Daarbij werd geen rekening gehouden met de wettelijke aard van de bewoning, noch met het feit dat de bewoners officieel geregistreerd waren op het adres en geen andere woonplaats hadden.
Hoewel de uithuiszetting een legitiem doel nastreefde, namelijk de bescherming van de rechten van de Academie en haar personeel, werd niet aangetoond dat de inmenging in het woonrecht proportioneel was. De nationale rechters onderzochten niet of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren en verrichtten geen daadwerkelijke afweging tussen de betrokken belangen.
Door geen rekening te houden met de langdurige en legale bewoning, de investeringen van de huurders en het risico op dakloosheid, bleef een individuele beoordeling volledig achterwege. De inmenging in het recht op respect voor de woning stond daardoor niet in verhouding tot het nagestreefde doel.
De uithuiszetting kon niet worden beschouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving. Het ontbreken van een zorgvuldige belangenafweging leidde tot een ongerechtvaardigde aantasting van het woonrecht, in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
Lees de samenvatting in een andere taal :