De toegang tot de rechter vormt een essentieel onderdeel van het recht op een menswaardig leven. Juridische bijstand speelt daarin een sleutelrol, omdat financiële drempels voor veel burgers een daadwerkelijke toegang tot justitie onmogelijk maken. Het fenomeen van non-take-up van rechten toont aan dat vooral kwetsbare personen hun rechten niet opnemen, vaak om financiële redenen. Vanuit een mensenrechtenbenadering is toegang tot justitie daarom een onmisbaar instrument in de strijd tegen armoede.

Artikel 23 van de Grondwet verplicht de wetgever om het recht op juridische bijstand te waarborgen. Het recht op toegang tot de rechter is daarin slechts impliciet vervat, terwijl artikel 13 van de Grondwet dit recht explicieter beschermt. In de rechtspraak wordt toegang tot de rechter erkend als een algemeen rechtsbeginsel dat fundamenteel is voor het bestaan van een rechtsstaat. Zonder effectieve toegang tot een rechter verliest het recht zijn betekenis.

Het standstill-beginsel, vervat in artikel 23, verbiedt dat het bestaande beschermingsniveau van sociale grondrechten aanzienlijk wordt verminderd zonder redenen van algemeen belang. Deze verplichting is grotendeels een creatie van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof. De invulling ervan roept echter vragen op, onder meer over wat een “aanzienlijke” achteruitgang inhoudt en welke belangen een dergelijke vermindering kunnen rechtvaardigen.

De huidige interpretatie laat toe dat het beschermingsniveau van sociale rechten geleidelijk wordt uitgehold. Opeenvolgende kleine verminderingen of aanzienlijke beperkingen die worden verantwoord door het algemeen belang blijven mogelijk. Hierdoor ontstaat het risico op een sluipende afbouw van sociale grondrechten, wat moeilijk te verzoenen valt met de oorspronkelijke bedoeling om deze rechten grondwettelijk te verankeren.

De auteur plaatst deze rechtspraak in het bredere kader van het beleid van de rechter. Grondwettelijke interpretatie is nooit waardenvrij en weerspiegelt onvermijdelijk een maatschappelijke visie. Het Grondwettelijk Hof heeft bij de standstill-verplichting gekozen voor een terughoudende benadering, zonder expliciet gebruik te maken van teleologische of systematische interpretatiemethoden die de sociale context sterker zouden kunnen meenemen.

Tegelijk is er een duidelijke evolutie richting rechtstreekse werking van de sociale grondrechten van artikel 23. Wetgevende hervormingen en recente rechtspraak erkennen steeds vaker het recht op menselijke waardigheid als een afdwingbaar subjectief recht. Deze ontwikkeling werpt de vraag op of het standstill-beginsel niet opnieuw en strenger moet worden geïnterpreteerd.

Ook bij de Raad van State is de toepassing van het standstill-beginsel geëvolueerd. Waar aanvankelijk elke achteruitgang van het beschermingsniveau problematisch werd geacht, sluit de rechtspraak vandaag grotendeels aan bij de relatieve invulling van het Grondwettelijk Hof, met slechts sporadische afwijkingen.

Het recht op toegang tot de rechter wordt door het Grondwettelijk Hof beschouwd als een algemeen rechtsbeginsel met zowel materiële als formele rechtskracht. Het garandeert onder meer gelijkheid van procesregels, toegang tot een onafhankelijke rechter en effectieve rechterlijke controle. Toch mag de wetgever voorwaarden en beperkingen invoeren, zolang de kern van het recht niet wordt aangetast en de beperkingen proportioneel zijn.

Financiële beperkingen vormen hierbij een cruciaal spanningspunt. Gerechtskosten, rolrechten en rechtsplegingsvergoedingen worden in beginsel aanvaardbaar geacht, maar mogen geen buitensporige last vormen. Het Hof toetst deze maatregelen casuïstisch en houdt rekening met de draagkracht van de rechtzoekende.

In meerdere arresten wordt duidelijk dat verhogingen van kosten of beperkingen van juridische bijstand problematisch worden zodra zij kwetsbare burgers de toegang tot de rechter ontzeggen. Vooral hervormingen inzake juridische tweedelijnsbijstand en stijgende procedurekosten tonen hoe nauw de band is tussen standstill en toegang tot justitie.

De analyse maakt duidelijk dat het recht op toegang tot de rechter, ondanks grondwettelijke waarborgen en het standstill-beginsel, geen verworven recht is. Financiële overwegingen blijven een constante bedreiging. De bescherming van dit fundamentele recht vergt blijvende waakzaamheid om te voorkomen dat menselijke waardigheid en rechtsbescherming geleidelijk worden uitgehold.

Lees het artikel in een andere taal: