Studiebeurzen zijn een essentieel instrument in de strijd tegen studentenarmoede, een fenomeen dat naar schatting tussen 9 % en 42,6 % van de studenten in de Federatie Wallonië-Brussel (FWB) treft. Aangezien een student jaarlijks tussen de 7.000 en 16.000 euro per jaar moet neertellen om al zijn kosten te dekken, komt deze steun vandaag de dag meer dan één op de vijf studenten in elke gemeenschap ten goede.
Dit artikel vergelijkt de studietoelageregelingen van de FWB en de Vlaamse Gemeenschap, aan de hand van drie invalshoeken: de toekenningsvoorwaarden, de geboden financiële ondersteuning en de aanvraagprocedure.
Wat de toekenningsvoorwaarden betreft, gelden drie cumulatieve criteria. De nationaliteitsvoorwaarde legt buitenlandse studenten wachttijden op die kunnen oplopen tot vijf jaar, waardoor zij gedurende een aanzienlijk deel van hun studietraject geen aanspraak kunnen maken op enige steun. De pedagogische voorwaarde is relatief ruim opgevat, hoewel de FWB het volwassenenonderwijs (sociale promotie) uitsluit en strenger optreedt ten aanzien van reeds gediplomeerde studenten die zich willen heroriënteren. De Vlaamse Gemeenschap legt daarentegen een slaagvoorwaarde op, die zij aanzienlijk wil aanscherpen. Wat de inkomensvoorwaarde betreft – de reden voor maar liefst 69,24 % van de weigeringen in de FWB – steunt zij op inkomensgrenzen en een systeem van globalisering van het gezinsinkomen dat de concrete en soms schrijnende situatie van de student volledig kan miskennen. De Vlaamse Gemeenschap heeft een meer geïndividualiseerd puntensysteem ontwikkeld, dat de uitsluitende drempeleffecten tracht te beperken.
Wat de bedragen betreft, varieert de toelage van 90 tot 6.000 EUR in de FWB tegenover 300 tot 7.000 EUR in de Vlaamse Gemeenschap, met respectievelijke gemiddelden van 1.444,62 EUR en 2.091,15 EUR. Die bedragen blijven ontoereikend om alle studiegerelateerde kosten te dragen.
Op procedureel vlak onderscheidt de Vlaamse Gemeenschap zich door een soepelere indieningstermijn, een snellere behandeling van de aanvragen en, bovenal, een geleidelijke automatisering van de toekenning sinds 2013, waardoor het niet-opnemen van rechten aanzienlijk wordt teruggedrongen. In de FWB lopen de behandelingstermijnen vaak op tot vijf à zes maanden, en dreigen die nog verder uit te lopen met de voor 2026-2027 aangekondigde hervorming van het inschrijvingsgeld.
Verschillende hefbomen voor verbetering tekenen zich af: de voor sociale promotie in aanmerking komende studies uitbreiden, de inkomensgrenzen optrekken en geleidelijker maken, de toegekende bedragen verder individualiseren, de procedure in de FWB automatiseren en de middelen van de Directie Studietoelagen versterken. Meer fundamenteel lijkt een bezinning over de bundeling van de versnipperde steunmaatregelen – verdeeld over de DAE, de onderwijsinstellingen en de OCMW’s – noodzakelijk om de leesbaarheid van het systeem te vergroten en het niet-opnemen van rechten daadkrachtig te bestrijden.
Lees het commentaar in de oorspronkelijke taal: