Interview
Interview van mevrouw Christine Mahy: Het recht op wonen van de armsten in de Ardennen.
—
De overstromingen die zich in Wallonië hebben voorgedaan, hebben de diepe ongelijkheden blootgelegd die het recht op wonen doorkruisen. Personen in armoede worden bijzonder zwaar getroffen, aangezien zij meestal wonen in oude, goedkope woningen die zich in risicogebieden bevinden, met name in valleibodems. Bij gebrek aan financiële middelen leven velen in verkrotte woningen of in wat men permanente bewoning noemt, zoals caravans of chalets op campings die van hun oorspronkelijke bestemming zijn afgewend.
Deze woonvormen vormen vaak overlevingsoplossingen als gevolg van het tekort aan betaalbare huisvesting en de stigmatisering die men in bepaalde wijken ondervindt. Ze bieden soms een zekere stabiliteit en rust, maar maken de bewoners uiterst kwetsbaar voor klimaatrampen. Tijdens de overstromingen behoorden deze bevolkingsgroepen tot de eersten die werden getroffen, zowel huurders als kleine, financieel zwakke eigenaars en onzichtbare personen zoals mensen zonder wettig verblijf.
De werkelijke omvang van de getroffen armoede blijft moeilijk in cijfers uit te drukken, onder meer door de verscheidenheid aan situaties en het gebrek aan uniforme gegevens. Een aanzienlijk deel van de slachtoffers was niet verzekerd, voornamelijk om financiële redenen, wat de stigmatisering en schuldtoewijzing verder heeft versterkt. Het ontbreken van een verzekering is veel vaker het gevolg van budgettaire beperkingen dan van een bewuste keuze.
De gevolgen van de overstromingen reiken veel verder dan het verlies van de woning alleen. Ook mobiliteit, toegang tot gezondheidszorg, werk, onderwijs, cultuur en sociale contacten worden ernstig aangetast, vooral voor personen die hun voertuig of essentiële bezittingen verloren. De spontane solidariteit was groot, maar het tijdschema ervan sluit niet altijd aan bij de uitgestelde noden van de meest kwetsbare gezinnen, die vaak voor lange tijd tijdelijk worden herhuisvest.
Het risico bestaat dat de meest kwetsbaren een “derde straf” ondergaan, bovenop armoede en de ramp zelf, doordat zij uitgesloten raken van de heropbouwprocessen of het slachtoffer worden van eenzijdige beslissingen zoals snelle onteigeningen. Het recht op wonen komt daarbij naar voren als een centraal grondrecht, onlosmakelijk verbonden met menselijke waardigheid en sociale cohesie.
De overstromingen vormen dan ook een fundamentele oproep tot herziening van het overheidsbeleid. Zij maken duidelijk dat het woonbeleid moet worden hertekend vanuit een perspectief van armoedebestrijding, vermindering van ongelijkheden en een rechtvaardige klimaattransitie, zodat de wederopbouw niet ten goede komt aan enkelen ten koste van de armsten.