Op 17 maart 2026 heeft het Europees Comité voor Sociale Rechten vastgesteld dat België drie schendingen van het herziene Europees Sociaal Handvest heeft begaan, naar aanleiding van een klacht die was ingediend door de Internationale Federatie voor Mensenrechten en de Internationale Beweging ATD Vierde Wereld tegen de toename van gemeentelijke verordeningen inzake bedelen.
Van de 581 gemeenten in het Koninkrijk hebben er 305 regelgeving inzake bedelen vastgesteld, waarvan 87 het bedelen ronduit verbieden en 253 ten minste één bepaling bevatten die vanuit mensenrechtenoogpunt problematisch is.
Het Comité beschouwt deze verordeningen als een beperking van het door artikel 30 gewaarborgde recht en past hierop de toetsingsmaatstaf van artikel G toe: economische motieven en het loutere onbehagen van voorbijgangers kunnen een dergelijke inmenging niet rechtvaardigen; negatieve percepties ten aanzien van bedelende personen zijn eerder het gevolg van vooroordelen dan van een daadwerkelijke verstoring van de openbare orde; en de sancties die worden opgelegd aan personen die toch al kwetsbaar zijn, verergeren hun precaire situatie in plaats van deze te verhelpen.
Vervolgens stelt het Comité, als tweede zelfstandige vaststelling, vast dat er voor personen in armoede en met een laag opleidingsniveau geen effectief rechtsmiddel bestaat tegen deze verordeningen.
Ten slotte concludeert het Comité, met tien stemmen tegen vier, tot indirecte discriminatie op grond van etnische afkomst en sociaaleconomische status, door artikel E met artikel 30 te combineren.
De auteur, advocaat aan de balie van Brussel, toont aan dat deze uitspraak bijna woord voor woord overeenkomt met de uitspraak die vijf maanden eerder met betrekking tot Frankrijk werd gedaan, terwijl verschillende uitgangspunten van dit Franse model (de aard van de verordeningen, het daadwerkelijk geregistreerde aantal ervan, de reeds bestaande Belgische rechtspraak inzake nietigverklaring) in België niet ongewijzigd van toepassing zijn.
De daadwerkelijke tekortkomingen van het Belgische rechtsmiddel, met name de duur van de procedures voor de Raad van State, de veronderstelde afstand van geding en de passiviteit van het administratief toezicht, blijven buiten het bestek van de analyse, terwijl de vaststelling van indirecte discriminatie wordt gedaan zonder het statistisch bewijs waarover het Comité, op grond van zijn eigen rechtspraak, sinds 2019 beschikte.
De auteur wijst er ten slotte op dat verschillende interpretatieve instrumenten die het Comité in de loop van drie decennia heeft ontwikkeld (de beperkte beoordelingsmarge op sociaal gebied, de geleidelijke verwezenlijking met meetbare termijnen, de interpretatieve toelichting uit 2013 over de menselijke waardigheid en het begrip “ernstige schending”) in deze zaak onbenut blijven, terwijl zij het mogelijk zouden hebben gemaakt een beslissing steviger te onderbouwen waarvan de strekking inhoudelijk fundamenteel juist lijkt: armoede mag in onze steden niet langer worden behandeld als een bedreiging voor de openbare orde.
Lees dit commentaar in de oorsponkelijk taal.